De klarinetten, saxofoons en fluiten horen tot de houtblazers. De fluiten zijn houtblazers ze vroeger volledig uit hout gemaakt werden en de saxen omdat het geluid gemaakt
wordt door een riet. Dit riet wordt op een (meestal ebonieten) mondstuk geplaatst. Het wordt vastgemaakt met een rietbinder.
Het mondstuk wordt met het riet naar beneden bespeeld. Het wordt gedeeltelijk in de mond geplaatst. Van boven worden de tanden op het mondstuk geplaatst, onderaan wordt de lip over de tanden geplooid en zo tegen het riet gezet. Wanneer lucht in het mondstuk geblazen wordt begint het riet te trillen waardoor een geluid wordt geproduceerd. Belangrijk zijn hier de spanning die de lippen op het mondstuk uitoefenen. Deze bepalen voor een deel de klankkleur en ook de juiste stemming van het instrument.
Door de kleppen op de klankbuis te sluiten kunnen de verschillende noten gespeeld worden.
De klarinetten worden uit hardhout (meestal grenadille)gemaakt.
De eerste klarinetten werden rond de jaren 1700 door Johann Denner ontworpen. Het kleppensysteem was toen veel eenvoudiger dan nu. 2 instrumentenbouwers mogen zich de vader noemen van het moderne kleppensysteem : Ivan Müller en Hyacinthe Klosé. Ze baseerden zich hiervoor op het systeem dat voor de dwarsfluit gebouwd werd door Theobald Böhm.
In onze harmonie worden klarinetten in Sib en de basklarinet gebruikt. De klarinet in Mib wordt soms ook gebruikt omdat deze hoger klinkt. De basklarinet is veel langer dan de gewone klarinet en klinkt een oktaaf lager. De klankbeker en de nek zijn van metaal en zijn, gezien de lengte van het instrument, in een bocht gebogen.
De Sib-klarinet wordt vooral voor de melodie gebruikt terwijl de basklarinet vooral een opvallende baspartij speelt.
De saxofoon is, op het mondstuk na, volledig uit metaal gemaakt. Het is een vrij nieuw instrument, uitgevonden door de Belg Adolphe sax omstreeks 1840.
In onze harmonie is de altsax in Mib de hoogst klinkende. De baritonsax, ook in Mib, klinkt een octaaf lager en daar tussenin zit de tenorsax, gestemd in Sib.
Het kleppensysteem is gelijkaardig dan dat van de klarinet. Het mondstuk is ook vergelijkbaar met dat van de klarinet. De altsax heeft het kleinste mondstuk, de baritonsax het grootste.
De altsax wordt in de harmonie veel gebruikt om de melodie te spelen. Ook de tenorsax en de baritonsax spelen soms de melodie mee, maar dienen toch vooral als begeleidend instrument.
De fluiten die onze harmonie worden gebruikt zijn de gewone dwarsluit en de hoger klinkende piccolo.
De eerste dwarsfluiten werden uit hout gemaakt, de moderne piccolo’s worden nog altijd gedeeltelijk of helemaal uit hout gemaakt. Daarom worden ze tot de houtblaasinstrumenten gerekend.
De dwarsfluit bestaat uit een cilindrische buis die aan één zijde open is. Het andere uiteinde is gesloten, maar bovenop de fluit is hier een mondgat gemaakt.
Door tegen de rand van het mondgat te blazen ontstaat een trilling van de uitgeblazen lucht en dit geeft dan geluid. Op de buis zijn kleppen geplaatst. Door deze kleppen af te sluiten kan de toonhoogte veranderd worden.
De dwarsfluit bestaat al vele duizenden jaren, maar de moderne fluit is begin 19e eeuw ontwikkeld door Theobald Böhm die het moderne kleppensysteem ontwikkelde.

n 


Frank Vantroyen was rond de eeuwwisseling een tiental jaar dirigent van onze Koninklijke Fanfare Sint-Cecilia.